(Dit artikel werd in december 2009 gepubliceerd in De Pers)
Deze week werd het eerste Nederlandstalige boek over ´s werelds succesvolste voetbalclub ooit gepresenteerd. Journalist Eric Castien schreef ´De Koninklijke – Real Madrid van Di Stefano tot Van Nistelrooy´ en reikte het eerste exemplaar uit aan Leo Beenhakker. Maandagavond om negen uur ontvangt regerend landskampioen FC Barcelona koploper Real Madrid in het eigen Camp Nou. De Klassieker Ajax – Feyenoord is hier niets bij.
Catalonia is not Spain. Op tientallen plekken in Barcelona is deze leus in de vorm van graffiti op de muren gekalkt. Catalanen, de inwoners van de regio waarvan Barcelona de hoofdstad is, zijn geen Spanjaarden. Althans, ze voelen zich in de eerste plaats Catalaan, spreken Catalaans, worden in het Catalaans onderwezen op school, lezen Catalaanse boeken en vieren Catalaanse feestdagen. Sterker dan dat. De rivaliteit tussen Catalanen en Spanjaarden is eeuwenoud. Santiago Segurola, de Johan Derksen van Spanje, zucht veelzeggend als hem wordt gevraagd de kern van de wederzijdse haat uit te leggen. ´Waar moet ik beginnen? De rivaliteit dateert al van ruim vijfhonderd jaar geleden toen Madrid werd aangewezen als hoofdstad van Spanje. Dat zit de inwoners van Barcelona nog altijd dwars. Destijds maakte Catalonië, de regio waarvan Barcelona de hoofdstad is, de dienst uit in Spanje. De keuze voor het in die tijd weinig voorstellende Madrid kwam dan ook aan als een mokerslag. Madrid heeft zich door de eeuwen heen het recht van de sterkste toegeëigend. Politiek gezien streeft de regering naar een centraal geleid land dat wordt bestuurd vanuit de hoofdstad. Catalonië heeft zich altijd al als onafhankelijke staat willen afscheiden. Die geluiden worden de laatste jaren weer steeds sterker. Op alle vlakken zijn deze clubs elkaars tegenpolen. Dankzij die turbulente historie gaan de sentimenten ver terug. Een stuk dieper ook dan bij jullie eigen Ajax – Feyenoord.´
Tijdens de onderdrukkingsperiode tussen 1939 en 1975 was alles wat Catalaans klonk of oogde officieel verboden. Voetbalclub fc Barcelona werd in die jaren beschouwd als het Catalaanse Leger. Als de enige manier om legaal de vijand te bestrijden en waar mogelijk te vernietigen. Officieel mocht er in het Camp Nou geen Catalaans worden gesproken, maar eenmaal binnen de poorten van het stadion had menig Catalaan daar maling aan.
Ook voor de Spaanse Burgeroorlog werd het Catalaanse streven naar onafhankelijkheid hardhandig onderdrukt. In 1925 werd Barça-oprichter Joan Gamper door het regime van dictator Primo de Rivera ervan beschuldigd het Catalaanse nationalisme aan te wakkeren. Ook onder het bewind van deze machthebber was alles wat regionaal, en dus niet-Spaans, was ten strengste verboden. Directe aanleiding was het fluitconcert waarmee de Barça-supporters tijdens een wedstrijd de ‘Koninklijke Mars’ hadden begeleid. Als straf werd het toenmalige Les Corts-stadion zes maanden gesloten en werd voorzitter Gamper gedwongen af te treden. De geboren Zwitser werd vervolgens uit Spanje verbannen. Hij keerde terug naar zijn geboorteland Zwitserland, waar hij in 1930 zelfmoord pleegde.
Zes jaar later werd de haat van fc Barcelona voor Madrid opnieuw gevoed. Op 6 augustus 1936, enkele weken na de start van de Spaanse Burgeroorlog, reden Barça’s clubvoorzitter Josep Sunyol en een journalist naar een partijbijeenkomst van de links-nationalistische politieke partij Esquerra Republicana de Catalunya (ERC). Deze extreemlinkse partij streefde naar en onafhankelijke Catalaanse staat. Partijpoliticus Sunyol werd herkend, zonder een vorm van gerechtelijk proces door het leger gearresteerd en vrij snel daarna om het leven gebracht. Pas een week later hoorde men in Barcelona wat er was gebeurd: de fascisten hadden de voorzitter van hun club vermoord. De vlam sloeg in de pan en de haat jegens Madrid nam in Barcelona ongekend grote vormen aan.
Na afloop van de Burgeroorlog en de installatie van Francisco Franco als de Grote Leider begon een zesenveertig jaar durende fase van min of meer stil verzet. De rivaliteit tussen Barcelona en Madrid werd voornamelijk uitgevochten in rechtstreekse duels tussen fc Barcelona en Real Madrid. Aartsrivalen zoals aartsrivalen bedoeld zijn. De bedreigingen en martelingen van Catalaanse politici, clubbestuurders en andere prominenten door Franco-aanhangers leidden tot vreemde praktijken. De 11-1 overwinning van Real Madrid op fc Barcelona in 1943 is in dit opzicht een hoogtepunt. Of dieptepunt. Terwijl het merendeel van de Europese mannen met hun gedachten bij de Tweede Wereldoorlog zaten, voetbalde Spanje gewoon door. In de tweede wedstrijd in de halve finale om de Spaanse beker werden bestuursleden en spelers van fc Barcelona dusdanig bedreigd door de staatsveiligheidsdienst, dat de Catalanen wel uitkeken om Real Madrid in het Chamartin-stadion een strobreed in de weg te leggen. De eveneens afgeschrikte Catalaanse pers had het een dag na de nederlaag over ‘de superioriteit van Real Madrid’. Er was welgeteld één Catalaanse journalist die zich kritisch uitliet over wat er in de hoofdstad was gebeurd: Juan Antonio Samaranch. De in Barcelona geboren latere voorzitter van het Internationaal Olympisch Comité schreef dat er gesjoemeld moest zijn, omdat de heenwedstrijd nog met 3-0 werd gewonnen door fc Barcelona. De toen drieëntwintigjarige Samaranch werd door de autoriteiten tijdelijk verboden zijn beroep als journalist uit te voeren.
Toch uit ook Real Madrid in zijn geschiedenisboeken in diverse passages zijn ongenoegen over het Franco-regime. Zo werd ook Real-preses Rafael Sánchez Guerra in 1936 opgepakt en gevangen genomen door de nationalisten. Sánchez Guerra behoorde tot de republikeinse tegenstanders en werd gestraft. Voorzitter van Real Madrid of niet. Uiteindelijk overleefde de politicus de Spaanse Burgeroorlog en de heksenjacht van Franco wel. De kwalificatie Regime Team staat dan ook nog altijd hevig ter discussie. Madrilenen verwijzen graag naar de sportieve feiten van de eerste jaren na de dood van Franco in 1975. Van de eerste vijf Franco-loze landstitels gingen er vier naar Real Madrid en een naar stadgenoot Atlético Madrid. ´Dus hadden wij Franco helemaal niet nodig om kampioen te worden´, redeneert de Madrileen. ´Kun je nagaan hoe gehavend onze stad en club uit die oneerlijke strijd kwam´, countert de Catalaan.
De kans dat huursoldaten als Leo Messi en Cristiano Ronaldo dergelijke sentimenten zondagavond meewegen in hun sportieve drang om de ander hun wil op te leggen, is erg klein.
Gearchiveerd onder: Uncategorized | getagged: boek, castien, cristiano ronaldo, de koninklijke, fc barcelona, real madrid | Reageer »